Voordat ik m’n serie over kleine wondertjes voortzet aan de hand van orchideeën even een intermezzo zonder bloemetjes.
Rond deze tijd voltrekt zich op een paar plaatsen in Nederland een bijzonder wonder. Het betreft het paringsritueel van de vuurvliegjes. Ze worden ook wel kleine glimworm genoemd, maar het zijn geen vliegjes en geen wormpjes maar kleine kevertjes. Kevers hebben dekschilden op de plek waar vliegen een paar vleugels hebben. Met een paar miljoen soorten zijn ze de soortenrijkste diergroep op aarde. Eén daarvan, het vuurvliegje heet officieel Lamprohiza splendidula, wat vrij vertaald uit het Grieks betekent : “Oorsprong van schitterende lampjes”.
De volwassen kevers leven maar enkele weken. In die tijd eten ze niet en hebben ze maar één doel: seks. Ik schrijf met opzet niet: “voortplanting”, want de vrouwtjes kunnen niet vliegen en zitten als muurbloempjes te wachten op de ideale partner. Nadat die geweest is en zijn ding heeft gedaan en dan vrij kort daarna dood gaat, leggen de vrouwtjes eitjes. Bij voorkeur in vochtige grond in de buurt van een beekje waar veel slakken zitten. De larven die eruit komen zijn zeer vraatzuchtig en gaan op zoek naar een slak. Die vallen ze vaak met meerdere tegelijk aan, verdoven het dier, lossen het weefsel op en vreten zich vol. Dit stadium duurt een paar jaar voordat de larven als pop in mos of vochtig strooisel hun gedaantewisseling doormaken.
Na een paar weken als pop, kruipen de kevertjes eruit. Vanaf dat moment scheiden de wegen van man en vrouw. De vrouwtjes gaan ergens in de buurt van de beek zitten wachten tot de mannen terugkomen. Om hen de weg te wijzen hebben ze in hun achterlijf een groenig lampje. Alleen rondom zonsondergang in een paar van de kortste nachten van het jaar zetten ze dit lampje aan.
De mannen zijn voor die tijd al vertrokken. Ze verzamelen zich op een heuveltop als een soort meeting point. Omstreeks half 11 rond 21 juni steken zij ook hun lampjes aan, maar doen die met een bepaalde frequentie een paar seconde uit en dan weer aan. Ze gaan vliegen en synchroniseren het aan/uit ritme door op elkaar te letten zodat ze na enige tijd allemaal ongeveer in hetzelfde soort-specifieke ritme knipperen. Dan begint de afdaling met z’n allen naar de beek, waar de meisjes zijn. Met tientallen, honderden en soms duizenden dwalen deze kleine “lampjes” door het donkere bos tussen de bomen door naar beneden op zoek naar de continue en veel feller brandende lampjes van de vrouwtjes. Als je dit feeërieke schouwspel als mens meemaakt, denk je te dromen. Ze kunnen dit lichtspel maar een paar kwartier volhouden want die lampjes kosten energie en die is ook voor glimwormpjes schaars.
De suikers die ze als larve hebben gegeten zijn de brandstof. Met de energie (ATP) uit de verbranding kunnen ze een heel bijzonder pigment “Luciferine” in combinatie met het enzym “Luciferase” en zuurstof licht laten geven. Luciferine komt bij meer insecten voor. Er zijn meer dan 2000 verschillende soorten met een eigen ritme van flikkering. Er bestaat een soort in Z.- Amerika, daarvan lokken de vrouwtjes met een aangepast ritme de mannen van een andere soort om ze dan in plaats van een romantische bruidsnacht bij schemerlicht, op te eten.
Het biologisch nut van dit hele ritueel is ten eerste, door met z’n allen op hetzelfde tijdstip te gaan, de kans dat de vrouwtjes en mannetjes elkaar vinden te vergroten. Er is niet voldoende brandstof om dit lang vol te houden of vaker te doen. Ten tweede vindt er een selectie plaats. Ze kunnen niet zoals veel andere mannen hard schreeuwen, maar de sterkste individuen hebben de felste lampjes.
Moi, wah
Doctor Anders





